Vergoeding dyslexie

8 nov

De meest gestelde vragen omtrent de vergoeding van dyslexie (Bron: www.kwaliteitsinstituutdyslexie.nl)

1. Wat is de leeftijdsgrens van een leerling om voor vergoeding in aanmerking te komen?
De vergoedingsregeling voor ernstige, enkelvoudige dyslexie geldt in het primair en het speciaal onderwijs voor leerlingen van 7 jaar en ouder. De regeling wordt geleidelijk, over een aantal jaren, ingevoerd. Dat betekent dat in 2009 diagnostiek en behandeling worden vergoed voor alle leerlingen waarbij de zorg (inclusief diagnostiek) start op de leeftijd van 7 of 8 jaar. Elk jaar wordt de leeftijdsgrens met een jaar opgetrokken totdat in 2013 alle leerlingen van 7 jaar en ouder in het primair en speciaal onderwijs in aanmerking komen voor vergoede zorg in het kader van deze regeling, mits zij voldoen aan de voorwaarden die de regeling stelt.
Wat de leeftijdsgrenzen betreft is dus het moment waarop de zorg (inclusief diagnostiek) aanvangt bepalend. De regeling geldt niet voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

Jaar Leeftijd bij aanvang van de zorg
2009 7 of 8 jaar
2010 7, 8 of 9 jaar
2011 7 t/m 10 jaar
2012 7 t/m 11 jaar
2013 7 jaar of ouder

2. Waarom vallen kinderen die ouder zijn dan 10 jaar, in 2011 buiten de regeling?
Er is gekozen voor een ingroeimodel om te voorkomen dat een te grote groep leerlingen in één keer een beroep doet op diagnostiek en behandeling van dyslexie. Als gevolg daarvan zouden wachtlijsten ontstaan en zou de benodigde zorg onvoldoende (tijdig) geboden kunnen worden. Een geleidelijke invoering van de vergoedingsregeling maakt het mogelijk om het aantal leerlingen dat een aanspraak doet op vergoede diagnostiek en behandeling, goed te laten aansluiten op het aantal behandelaars dat beschikt over de juiste kennis en ervaring.
Volgens het ingroeimodel schuift elk kalenderjaar de leeftijdsgrens met een jaar op, totdat in 2013 de zorg wordt vergoed voor alle leerlingen in het primair en speciaal onderwijs van 7 jaar en ouder.
Voor uitvoering van de vergoedingsregeling is jaarlijks € 27,9 miljoen beschikbaar. In het kader van het ingroeimodel wordt dit bedrag tot en met 2013 jaarlijks met € 1,4 miljoen opgehoogd.

3. Bij wie moeten we een dyslexieonderzoek aanvragen bij een vermoeden van ernstige dyslexie? Waar moeten de leerlinggegevens naartoe?
Het is niet de school die het dyslexieonderzoek aanvraagt. Dit doen de ouders. De ouders zijn in principe vrij in de keuze van de diagnosticus/behandelaar waar zij hun kind aanmelden. Het kan echter zijn dat er ten aanzien van de keuze die ouders hebben, nadere voorwaarden zijn opgenomen in de polisvoorwaarden van hun zorgverzekering. Het is voor ouders daarom van belang de polisvoorwaarden van hun zorgverzekering hierop goed na te kijken.
Uiteraard kan de school de ouders een diagnosticus/behandelaar aanbevelen waarmee zij goede ervaringen of een goede samenwerkingsrelatie heeft. Voor de aanmelding geeft de school het leerlingdossier aan de ouders.

4. Wat moet de school aanleveren in het leerlingdossier?
Het dossier dat de school aanlevert en waarmee ouders zich aanmelden bij een diagnosticus bevat:

  • basisgegevens uit het leerlingvolgsysteem;
  • een beschrijving van het lees- en spellingprobleem;
  • signalering van het lees- en spellingproblemen: datum, toets (criteria, score), afgenomen door…;
  • omschrijving van de extra begeleiding (doelen, duur, inhoud, organisatievorm, begeleider);
  • resultaten van de extra begeleiding en beschrijving van gebruikte toetsen en normering;
  • vaststelling van toenemende achterstand ten opzichte van de normgroep, met vermelding van gebruikte toetsen en normcriteria;
  • argumentatie voor het vermoeden van ernstige dyslexie: aantonen van didactische resistentie na geboden begeleiding van voldoende intensiteit en kwaliteit;
  • indien bekend, vermelding en beschrijving van eventuele andere (leer)stoornissen.

Het dossier wordt getekend door de directeur van de school, namens het bevoegd gezag.

5. Mogen ouders voor hun kind een andere diagnosticus of behandelaar kiezen dan door hun zorgverzekeraar is gecontracteerd?
Ja, ouders mogen zelf een andere diagnosticus/behandelaar kiezen dan door hun zorgverzekeraar is gecontracteerd. Een eis bij de keuze van een diagnosticus of behandelaar is dat deze voldoet aan de voorwaarden voor vergoeding die de verzekeraar stelt en vermeldt in de polisvoorwaarden; in sommige gevallen worden bijvoorbeeld deskundigheidseisen gesteld. Verder is het afhankelijk van de polis die ouders hebben (bijvoorbeeld naturapolis of restitutiepolis) of de keuze mogelijk gevolgen heeft voor de hoogte van de vergoeding die ouders ontvangen:

  • als hun kind naar een diagnosticus/behandelaar gaat met wie hun zorgverzekeraar een contract heeft, dan wordt de betaling van de hulp rechtstreeks geregeld tussen behandelaar en zorgverzekeraar;
  • als ouders een naturapolis hebben en kiezen voor een niet-gecontracteerde behandelaar, dan is het mogelijk dat een deel van de kosten voor hun eigen rekening komt. Het percentage of het bedrag dat hiermee is gemoeid, staat in de polisvoorwaarden. Eventueel kunnen ouders hiernaar informeren bij hun zorgverzekeraar;
  • als ouders een polis hebben waarbij er sprake is van vrije keuze van zorgaanbieder (bijvoorbeeld een restitutiepolis), dan zijn zij in principe vrij, mits de behandelaar voldoet aan de voorwaarden voor vergoeding die de verzekeraar in zijn polis heeft gesteld.

In alle gevallen is het mogelijk dat een verzekeraar vooraf voorwaarden stelt aan de vergoeding van de behandeling. Deze zijn in de polisvoorwaarden terug te vinden of kunnen worden nagevraagd bij de verzekeraar.

6. Wie mogen diagnostiek en behandeling uitvoeren?
Het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling (voor de Zorg) geeft aan dat diagnostiek en behandeling plaats moeten vinden onder eindverantwoordelijkheid van een gekwalificeerd gedragswetenschapper. Dit is een gekwalificeerde Gezondheidszorgpsycholoog (Wet BIG), Kinder- en Jeugdpsycholoog (NIP) of Orthopedagoog-Generalist (NVO). Deze professionals zijn in staat en bekwaam om conform het protocol vast te stellen of er sprake is van ernstige, enkelvoudige dyslexie zoals bedoeld in deze vergoedingsregeling. Indien de behandeling plaatsvindt in een multidisciplinair team (met o.a. remedial teachers en logopedisten), dan gebeurt dit onder eindveranwoordelijkheid van een van de bovengenoemde gekwalificeerde gedragswetenschappers.
Het kan zijn dat zorgverzekeraars in hun polisvoorwaarden nadere voorwaarden stellen. Deze kunnen voortvloeien uit, of samenhangen met de contracten die zorgverzekeraars met zorgaanbieders hebben afgesloten. Soms vraagt een zorgverzekeraar ook om toestemming vooraf. Het is voor ouders daarom van belang de polisvoorwaarden van hun zorgverzekering hierop goed na te kijken.

7. Wat wordt verstaan onder ‘ernstige’ dyslexie?
Het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling (voor de Zorg) noemt criteria op basis waarvan de ernst van de dyslexie kan worden vastgesteld. Het is aan de diagnosticus (een gedragswetenschapper) aan de zorgkant om te bepalen of er sprake is van ‘ernstige’ dyslexie.

8. Waarom komen alleen kinderen met ernstige dyslexie in aanmerking voor de vergoedingsregeling?
De vergoedingsregeling richt zich op de leerlingen die de meeste hinder ondervinden van hun problemen met het lezen en/of spellen bij het volgen van onderwijs. Het gaat om leerlingen waarbij sprake is van een forse achterstand in de ontwikkeling van het lezen en/of spellen, maar waarbij ook gerichte, extra begeleiding op school onvoldoende verbetering oplevert. Deze groep van kinderen met een vermoeden van ernstige dyslexie is het meest gebaat bij diagnostiek en eventueel behandeling in de gezondheidszorg.
Voor uitvoering van de vergoedingsregeling is jaarlijks € 27,9 miljoen beschikbaar. In het kader van het ingroeimodel wordt dit bedrag tot en met 2013 jaarlijks met € 1,4 miljoen opgehoogd.

9. Wat wordt bedoeld met ‘enkelvoudige’ dyslexie?
De vergoedingsregeling vanaf 1 januari 2009 geldt voor leerlingen met ernstige, enkelvoudige dyslexie. ‘Enkelvoudig’ betekent dat er bij de leerling naast dyslexie geen sprake is van een of meer andere (leer)stoornissen. Dit wordt ook wel ‘co-morbiditeit’ genoemd. Het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling (voor de Zorg) geeft aan dat het bij co-morbiditeit gaat om stoornissen die bovengemiddeld vaak samen met dyslexie voorkomen. Een dergelijke stoornis hoeft geen gemeenschappelijke oorzaak te hebben met dyslexie, maar heeft wel een negatieve invloed op de prestaties op lezen en spellen van de dyslectische leerling. De stoornis heeft dus wel een zekere relatie tot de dyslexie en/of leervaardigheden; een gebroken been wordt niet gezien als co-morbiditeit.
Het is aan de diagnosticus (een gedragswetenschapper) aan de zorgkant om te bepalen of er sprake is van co-morbiditeit.

Overigens is het niet zo dat kinderen waarbij sprake is van co-morbiditeit geen recht hebben op zorg; de vergoeding van deze zorg valt alleen niet onder deze specifieke regeling.
Als er sprake is van ernstige dyslexie in combinatie met een andere GGZ-stoornis, bestaat er – al vóór 2009 – recht op vergoede hulp op grond van de algemene regels voor de GGZ-hulpverlening in de basisverzekering.
Als er sprake is van ernstige dyslexie in combinatie met de diagnose auditieve of visuele stoornis, bestaat er al langer – al vóór 2009 – recht op hulp in de vorm van leesbegeleiding (bijvoorbeeld leestraining door een logopedist) vanuit de vergoeding die deze leerling krijgt voor die andere (niet-GGZ-)stoornis.

10. Heeft een leerling met dyslexie en ADHD recht op vergoede behandeling?
Als door de diagnosticus bij een leerling naast dyslexie ook de diagnose ADHD wordt gesteld, is er geen sprake van enkelvoudige dyslexie. In dit geval is sprake van co-morbiditeit. Deze leerling kan geen aanspraak maken op vergoede zorg zoals bedoeld in de vergoedingsregeling voor diagnostiek en behandeling van ernstige, enkelvoudige dyslexie.
Het is niet de taak van het onderwijs om te bepalen of er sprake is van dyslexie of eventueel co-morbiditeit. Het is de verantwoordelijkheid van de gedragswetenschapper die het kind aan de zorgkant onderzoekt, om de diagnose ernstige, enkelvoudige dyslexie te stellen.
Kinderen bij wie sprake is van dyslexie in combinatie met een andere GGZ-stoornis, zoals bijvoorbeeld ADHD, hadden ook vóór 1 januari 2009 al recht op zorg of de vergoeding van kosten daarvan in het kader van de hoofddiagnose (in dit geval ADHD).

11. Wordt de diagnostiek wel vergoed als een leerling niet ernstig, enkelvoudig dyslectisch blijkt te zijn?
Ja. Als voldaan is aan de voorwaarden in de regeling en als uit de diagnostiek blijkt dat er geen sprake is van ernstige, enkelvoudige dyslexie, dan wordt wel de diagnostiek vergoed, maar niet de behandeling.
De regeling kent twee belangrijke beslismomenten voor de vergoeding. Als eerste beoordeelt de diagnosticus of het leerlingdossier van de school dat de ouders overleggen wanneer ze hun kind aanmelden, het vermoeden van ernstige dyslexie voldoende onderbouwt. Als dit het geval is, kan vergoede diagnostiek plaatsvinden. Als uit de diagnostiek blijkt dat er sprake is van ernstige, enkelvoudige dyslexie, dan kan er ook vergoede behandeling plaatsvinden.

12. Heeft een kind met een dyslexieverklaring automatisch recht op vergoede behandeling?
Een dyslexieverklaring betreft een vaststelling van dyslexie, maar niet per definitie van ernstige, enkelvoudige dyslexie. Dat betekent dat ook voor kinderen die al een dyslexieverklaring hebben, geldt dat de diagnosticus aan de zorgkant moet bepalen of er sprake is van ernstige, enkelvoudige dyslexie zoals bedoeld in het kader van deze vergoedingsregeling. Dit kan betekenen dat er aanvullend diagnostisch onderzoek nodig is. Dit aanvullende onderzoek wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet.
Alleen wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergoedingsregeling, kan er sprake zijn van vergoeding van de behandeling.

Praktijk Het Leerhuis biedt een vergoede dyslexiebehandeling aan in Den Haag, lees er meer over op de website: www.hetleerhuis.info

 

Tags:, , ,

Slaap, gewicht en leerproblemen beïnvloeden elkaar

8 nov

De University of Chicago heeft onderzoek gedaan naar de invloed die slaap, gewicht en leerproblemen op elkaar hebben. Het blijkt dat kinderen met overgewicht die te weinig slapen vaak meer moeite hebben met leren. Andersom hebben kinderen met leerproblemen een groter risico op overgewicht en slaapproblemen. 

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat overgewicht het risico op ademhalingsproblemen tijdens de slaap verhoogt. Daarnaast weten we ook al dat chronisch slaapgebrek een negatieve invloed heeft op schoolprestaties. In dit onderzoek werd voor het eerst gekeken naar de interactie tussen overgewicht, slaapgebrek en leerprestaties bij basisschoolleerlingen.

Testen

De onderzoeker heeft een groep van 351 kinderen van gemiddeld 8 jaar intelligentie- en leertesten laten maken. Ook moesten de kinderen een nacht in een slaaplab slapen om te bekijken of ze ademhalingsproblemen hadden. De kinderen hadden geen leerproblemen en gebruikten ook geen ADHD-medicatie.

Invloed

Het bleek dat alle factoren invloed hadden op elkaar: slecht slapen verhoogde het risico op zowel overgewicht als een slechte score op de testen. Overgewicht verhoogde het risico op een slechte score en slaapproblemen die te maken hebben met de ademhaling. Een slechte score bij de testen beïnvloedde de kans op overgewicht en slaapproblemen.

Screening

Volgens de onderzoeker worden slaapproblemen vaak over het hoofd gezien bij kinderen die te zwaar zijn of minder goed presteren op school. Het zou goed zijn om kinderen met leerproblemen te screenen op ademhalingsmoeilijkheden tijdens het slapen, naast campagnes die zich richten op het voorkomen van overgewicht.

Bron: Nu.nl

Tags:, , ,

De tien meest gestelde vragen over faalangst

2 nov

De tien meest gestelde vragen over faalangst

Soms is een kind zo bang om fouten te maken, dat het niet eens antwoord dúrft te geven op een vraag. Het ligt nachten wakker omdat er een spreekbeurt dreigt of doet uren over een eenvoudige huiswerkopdracht. Hoe kun je een kind helpen dat last heeft van faalangst?

Wat is faalangst?
Faalangst is bang zijn om bij een taak te mislukken. Het ontstaat alleen in situaties waarin iemand beoordeeld wordt of denkt te worden: in andere omstandigheden functioneert het kind prima. Faalangst wordt ingegeven door het (onterechte) gevoel het toch niet te kunnen. Iedereen is wel eens bang om af te gaan. Maar bij faalangstige kinderen gaat de angst verder dan een normale spanning, die vaak ook positief kan werken

Welke soorten faalangst zijn er?
Faalangst kan overal optreden waar prestaties worden gevraagd. Bij motorische faalangst zien kinderen er vreselijk tegenop iets met hun lichaam te moeten doen (bang voor het gymtoestel). Sociaal faalangstige kinderen zijn geremd in hun contacten met anderen en hebben moeite zich op sociaal gebied te handhaven. Op school uit faalangst zich (ook) bij leeropdrachten (cognitieve faalangst): toetsen, spreekbeurten, examens of bij nieuwe leerstof.

Hoe uit het zich?
Faalangstige kinderen blokkeren, haken af of gaan juist extra hard werken en zijn zelden echt ontspannen. Anderen wisselen hard werken en niks doen af. Onder invloed van hun angst presteren ze onder hun niveau.

Hoe vaak komt het voor?
In het basisonderwijs lijdt ongeveer één op de tien kinderen aan faalangst. In het voortgezet onderwijs is dat, in de eindexamenperiode, opgelopen tot één op de vijf. Vooral kinderen met weinig zelfvertrouwen zijn het slachtoffer, zowel jongens als meisjes.

Waar komt het vandaan?
Faalangst is niemands schuld. Niet van de leerkracht en niet van de ouders. Wel spelen gezinsinvloeden mee. Zo kunnen niet-uitvoerbare opdrachten die mensen uit hun jeugd meenemen faalangst in de hand werken. Het gaat dan om aansporingen die niet gekoppeld zijn aan een concrete taak, maar (vaak met de beste bedoelingen) als een soort levensopdracht worden meegegeven. De vijf meest bekende zijn: doe me altijd een plezier!, doe je uiterste best!, wees vooral sterk!, schiet op! en wees perfect!

Hoe herken ik faalangst bij mijn kind?
Mogelijke signalen zijn: hoofdpijn, maag- of darmklachten (diarree/braken), hartkloppingen, zweten, hyperventilatie, nagelbijten, verlegen, gesloten of juist heel druk gedrag (clownsgedrag), liegen, smoezen verzinnen, veel piekeren, opmerkingen als ‘Ik kan toch nooit wat’ en ‘Dat gaat vast fout’.

Wat kunnen ouders eraan doen?
Ouders doen er goed aan niet alleen de prestaties van het kind te waarderen, maar ook zijn inspanningen. Een kind moet weten dat het fouten mag maken. Verwacht niet meer van hem dan hij aankan en wijs hem op wat hij goed kan. Ouders kunnen het probleem beter aanvaarden dan het negeren. Door structuur in zijn werk aan te brengen, worden problemen overzichtelijker. Ga liever niet in op vluchtgedrag en neem hem geen werk uit handen. Op die manier krijgen kinderen niet de kans om te gaan met stress en mislukking. Van ouders leren ze het beste hoe ze daaraan het hoofd kunnen bieden.

Wat kan school eraan doen?
Ook op school moeten kinderen weten dat ze gewaardeerd worden om wie ze zijn en niet om wat ze presteren. Kinderen met faalangst zijn het beste af bij een schoolomgeving waar iedereen zijn eigen inbreng kan hebben, waar rekening wordt gehouden met verschillen tussen kinderen en leerlingen de kans krijgen zichzelf geleidelijk meer te kunnen ontplooien. Leerkrachten doen er goed aan faalangstige kinderen niet voor de klas een taak te laten uitvoeren, maar ze op hun plaats te laten zitten. Ook complimenten van de juf of meester doen wonderen

Hoe kom ik aan hulp?
Ouders met faalangstige kinderen kunnen contact opnemen met de groepsleerkracht of eventuele zorgverleners op school. De meeste scholen beschikken over vragenlijsten om de diagnose te kunnen stellen. Vaak beschikken zij ook over een trainingsprogramma om leerlingen met hun faalangst te leren omgaan. Ook de huisarts, de onderwijs-begeleidingsdienst, particuliere faalangsttrainers of de Jeugdgezondheidszorg van de GG&GD kunnen adviezen geven.

Waaruit bestaat de hulp?
Door inzicht te krijgen in de negatieve gedachten en gevoelens die aan faalangst ten grondslag liggen, kan een kind het leren beheersen. Daarnaast leren deelnemers aan faalangsttrainingen ontspanningstechnieken.

Meer informatie www.ggd.nl, www.orthoconsult.nl, www.klasse.be/archieven, lodder.silvia.tripod.com/faalangst.html, www.faalangst.nl (in opbouw)

Bron: www.jmouders.nl

Meer weten over de mogelijkheden van een faalangsttraining bij Het Leerhuis? Neem vrijblijvend contact op met een van onze medewerkers www.hetleerhuis.info

 

Tags:, , , ,

IQ kan in puberteit nog veranderen

2 nov

 

Tot nu toe dachten wetenschappers dat de intelligentie, het IQ, gedurende het leven nauwelijks verandert. Het blijkt echter dat veranderingen in het volume van bepaalde hersengebiedjes tijdens de puberteit de intelligentiescore flink omhoog kunnen krikken – of omlaag.

Volgens een artikel in Nature kan het IQ wel degelijk veranderen, en wel zonder dat daar iets radicaals als een hersenbeschadiging aan te pas komt. Tijdens het opgroeien zijn hersenen nog volop in ontwikkeling. Sommige hersengebieden kunnen daarbij in volume toe- of afnemen ten opzichte van de rest van de hersenen. Deze af- en toenames kunnen leiden tot verandering in het IQ.

Drie soorten IQ

Een groep Britse onderzoekers heeft een groep van 33 tieners een aantal IQ-testen laten doen begeleid door hersenscans. De pubers zijn getest in 2004 en in 2008, toen ze al min of meer volwassen waren. De wetenschappers keken in dit onderzoek naar drie soorten IQ. Namelijk het verbale (o.a. taalgevoel, algemene kennis, geheugen), performale (o.a. zien wat er ontbreekt in een plaatje, visuele puzzels) en het algemene IQ van de kinderen.

Individueel grote veranderingen

Gemiddeld bleef het IQ gedurende de vier jaar redelijk constant. Maar individueel waren er soms grote veranderingen te zien. Het verbale, performale en algehele IQ was bij sommige van de kinderen in die paar jaar tijd tot wel twintig punten omlaag geschoten. En bij anderen tot wel twintig punten omhoog. De veranderingen in de scores van de pubers konden maar voor ongeveer vijftig procent door ‘natuurlijke schommelingen’ verklaard worden. Er moest dus nog een oorzaak zijn.

Volume hersengebiedjes

Die andere oorzaak zagen de onderzoekers toen ze de hersenscans van de kinderen gingen analyseren. De toe- of afname van het verbale en performale IQ (en daarmee ook het algehele IQ) bleek samen te hangen met veranderingen in het volume van twee specifieke hersengebiedjes. Opvallend genoeg ging het hierbij niet om hersengebieden die traditioneel in verband worden gebracht met intelligentie. Veranderingen in het verbale IQ hingen samen met veranderingen in het zogenoemde motorische spraakgebied in de linkerhersenhelft. En veranderingen in het performale IQ met veranderingen in de voorste kwab van de kleine hersenen.

Bij het onderzoek is niet gekeken naar hoe het precies kan dat de hersengebiedjes relatief toe- of afnamen ten opzichte van de rest van het hersenvolume. Ook is niet onderzocht of deze gebiedjes gericht getraind kunnen worden.

Bron: Wetenschap24.nl

Tags:, , ,

Sta sterk met dyslexie

7 sep
Via: Hallohorstaandemaas.nl
 
“Mijn naam is Tijn Versleijen, ik schrijf dit boek omdat ik zelf dyslexie heb. En ik weet ook dat het soms weleens moeilijk kan zijn omdat je vaak een uitzondering bent in de klas. Je hebt soms veel extra huiswerk, want oefenen en herhalen is wel nodig. En ik heb geleerd dat je je er niet voor hoeft te schamen, dat wil ik delen met andere dyslectische kinderen.”

maskTop
Sta sterk met dyslexie
maskBottom

Zo begint het boek van de 11-jarige Tijn Versleijen uit Kronenberg. Tijn heeft dyslexie. “Ik wilde er iets mee doen. Toen dacht ik dat het leuk was om een boek te schrijven”, zegt hij. Een half jaar geleden begon hij ermee. Hij ging achter de computer zitten en schreef stukje bij beetje aan zijn boek. Soms stelde pap of mam een vraag. De hoofdstukken werden steeds langer. En toen was het ineens een boek.

“Sommige mensen gaan ervan uit dat Tijn veel hulp heeft gehad bij het schrijven, maar hij heeft het echt helemaal zelf gedaan”, vertelt mama Sandra trots. Een klein beetje helpen deden ze wel. “We hebben samen bedacht wat Tijn in het boek wilde, en wat voor soort boek hij wilde schrijven.”

Toen Tijn net in groep 6 zat werd dyslexie geconstateerd. “Ik moest toen een dyslexietest doen met mevrouw Tilly en daarna een intelligentieonderzoek. Een paar maanden later kwam ik uit school en had mam de uitslag, ze zei dat ik dyslexie had. Ik dacht, ik voel het niet, hoe kan dat? Ik vond het niet zo leuk, en nu soms nog niet.”

Hij kreeg een film en wat boeken over dyslexie. Maar er was nog geen boek van een kind wat zelf dyslexie heeft. “Dat is ook de kracht van zijn boek”, zegt Sandra. “Ik vertel vooral wat ik er van vind en wat ik voel”, legt Tijn uit. Begeleidsters Tilly en Ted hebben ook meegewerkt aan het boek. Tijn heeft ze geïnterviewd.

Zijn boek Sta Sterk met Dyslexie komt in Sevenum in de bieb te liggen en misschien ook in de boekwinkel. Tijn hoopt dat het boek bij de boekhandel komt te liggen. “Het liefst wil ik ’t graag echt verkopen en een uitgever vinden, zodat iedereen kan lezen hoe het is.”

Tijn wil later geen schrijver worden. Hij ziet zichzelf wel als dyslexiebehandelaar, want hij wil later ook andere kinderen met dyslexie helpen. Lachend vertelt hij dat toen hij zijn begeleidster het boek gaf, zij dit teruggaf. “Want ze wilde dat ik er wat inschreef”, glundert hij.

Tijn vind het voorwoord het mooiste gedeelte van zijn boek, maar mama vindt het slotwoord het mooist. “Dat heb ik gewoon getypt zoals ik ’t zou schrijven, zonder spellingscontrole”, zegt Tijn. De rest van het boek wilde hij liever met spellingscontrole schrijven. “Ik wilde niet dat sommige mensen er niet uit konden halen wat ik bedoel.” Of er een vervolg op zijn boekje komt, weet Tijn nog niet, voorlopig is hij vooral trots op zijn huidige prestatie.

Tags:, ,

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.